Wachttijd

Ewa Maria Wagner

Ewa Maria Wagner, altvioliste in het Radio Filharmonisch Orkest en schrijfster, schreef een persoonlijk relaas over het leven in deze moeilijke tijden.

 

Iedere week krijgen wij, musici van het Radio Filharmonisch Orkest, een e-mail van onze directie over de nieuwste (stil)stand van zaken rondom ons werk. Op dit moment is de hoop groter dan de veranderingen. Het enige wat opspeelt zijn onze zenuwen, want het is wachten op betere tijden, wanneer het c-virus ons leven niet meer beheerst, op muziek die de stilte eindelijk gaat verdrijven, wachten op het publiek dat ons werk zinvol maakt. Als je op iets wacht, wil je graag weten wanneer het zover is. Maar het antwoord zal nog weken op zich laten wachten.

 

Sinds medio maart dwingt het coronavirus de stilstand ook in de samenleving af. Waarden die ons leven altijd beheersten moeten we nu – zoals vele andere evidente gewoonten – loslaten. Wat nog een paar weken geleden ondenkbaar was, voelt nu alleen nog maar treurig en niet meer onmogelijk: elkaar geen hand geven, aanraken vermijden, je liefsten uit de weg gaan. Het blijven waar je bent en nietsdoen totdat het voorbij is, plus de beperkingen die ineens daden van liefde heten, zorgen voor een oplopende ruzie tussen mijn verstand en mijn hart: wat ik ook bedenk, alles lijkt onnozel en zinloos. Zelfs het spelen op mijn altviool – want dat heeft geen doel.

 

Dan klopt het c-virus aan onze deur: op een avond krijgt mijn man flinke koorts. Eerst ontkennen we het nog en noemen het een verkoudheid. Maar de volgende dag wordt hij zieker en zieker. We horen de diagnose. Het wordt stil in huis, en nu de ‘Zweisamkeit’ er ook niet meer in zit, voelt het wachten nog somberder. De patiënt mag thuis blijven, maar ik moet volgens de arts naar een andere slaapkamer verhuizen. Ineens is mijn manlief de ‘vijand’ zelve.

 

De wereld voelt plots nog hachelijker. Hoe kan ik mijn zinnen verzetten en me niet mee laten sleuren? Voor het lezen van een boek ben ik te onrustig, ik grijp naar mijn altviool. Spelen heeft me altijd geholpen in crisissituaties. Gedachteloos neem ik orkestpartijen door, maar in mijn eentje maken ze me eerder droevig dan vrolijk. De stukjes van Bach, Telemann en Mozart voor altvioolsolo voelen ongerijmd zonder uitzicht op een concert. Pas als ik Solitudes speel, een solostuk van de Britse componist Christopher D. Wiggins die ik niet eens ken, kalmeer ik. Misschien komt het omdat de muziek senza misura – zonder maat is, wat mijn verbeelding beïnvloedt en me een vrijer gevoel verschaft tegenover het oeverloze wachten. Spelend kan ik me hiermee vereenzelvigen. Maar misschien komt het ook door de titel die vertaalt hoe ik me voel. De klanken zijn teder en dreigen steeds te verdwijnen, net als de onregelmatige adem van mijn echtgenoot. De wisselende dynamiek houdt de muziek levend. Maar wat als de dynamiek in het echte leven ontbreekt? Mijn wachten krijgt een nieuw gezicht: angst.

 

Ik kan nergens naartoe, maar de behoefte juist nu niet alleen te zijn, overweldigt me. De altviool alleen lijkt geen troost meer te bieden. Wat mis ik het samenzijn, met mijn collega’s uren te verwijlen in een zee van klank, aan de frasen te schaven en met elkaar het hart van de klank te vormen. Wat, wat te doen? De computer is mijn raam naar buiten, het enige dat ik gelukkig nog open mag gooien om mensen op te zoeken. De googlemachine tovert eindeloos veel muziekfilmpjes op het scherm die mijn smart moeten verzachten. Ik kijk en lach, wieg mee met een bepaalde melodie en bewonder de daadkracht van mijn collega’s. Maar als ik langer naar de kleine blokjes kijk waar musici op hun nog kleiner lijkende instrumenten samen maar apart een stuk uitvoeren, overmant me opnieuw droefheid. Mijn brein weigert te accepteren dat samenspelen lukt als iedereen thuisblijft en de techniek de valse impressie dirigeert. Dat is combineren, geen samenspelen, en blijft een armzalig substituut voor een live concert. Begrijpen dat de nood de middelen wettigt helpt me niet.

 

Ik hoor mijn man hoestend door de woonkamer lopen en verstijf: gaat het beter met hem? Met een mondkapje ga ik naar hem toe. Zijn koorts is gevaarlijk hoog, hij is de realiteit kwijt. Zijn huid is lichtrood, ik zie vocht op zijn bovenlip glimmen. Hij wil iets zeggen, maar de bronchiale hoest neemt het van hem over. Ik help hem terug naar bed en blijf even bij hem zitten. Op zijn nachtkastje staat een klok waar ook de kalenderdagen te zien zijn. Het is middernacht – als de wijzer een minuut verder springt, begint er een nieuwe dag, ook al is het buiten nog pikdonker. Het is wachten op het licht, wachten op de ochtend, en nog steeds wachten op de opleving van de zon en van het leven. In dit wachten vallen de ziekte van mijn man en de malaise van ons antichambreren samen.

 

Hij valt in slaap, ik maak het licht uit en ga stilletjes naar de woonkamer waar ik voor onze cd-collectie blijf staan. Twee van de tien meter zijn opnames die ik grotendeels met het RFO opgenomen heb. Als ik op de ruggen kijk, naar de namen van de muziekwerken, zie ik meteen onze Hilversumse studio, de microfoons met het rode lampje, hoor het lachen van collega’s en ruik de mix van parfum, hout en schoonmaakmiddelen. Ik sluit mijn ogen en blind trek ik er een cd uit. Bruckner, Symfonie nr. 5. Die hebben we in 2007 met Jaap van Zweden voor het Japanse label Exton opgenomen, lees ik op het hoesje. Om de muziek in mijn lichaam te voelen zet ik de koptelefoon op en draai het volume omhoog. De donkere pizzicati en de strijkersklank vloeien als gesmolten goud in mijn oren; straks zal het door de scherpe akkoorden van de blazers stollen. Door de frasen schijnt licht, wat het ongeduld in me verblindt. Als verdoofd sta ik te luisteren en negeer alles wat met het hier en nu te maken heeft. Zolang de muziek in me klinkt, verlaat ik de wachtkamer van het heden. De droom lijkt echter dan de realiteit. Langer dan een uur voelt het leven weer vertrouwd. Maar zodra het weer stil is, voel ik hoe fragiel de nacht is, en hoe oneindig het wachten.

 

 

Deel dit artikel