De ‘ups’ en ‘downs’ van het leven in Tsjaikovski’s laatste symfonie

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski in 1888

Bij het schrijven van zijn laatste symfonie was Pjotr Iljitsj Tsjaikovski een gelukkig man. Hij was een internationaal gevierd componist, die bewees dat je de Russische muziek serieus moest nemen. Hij mocht wel eens twijfelen over zijn kunnen, maar “eerlijk gezegd ben ik nog nooit van mijn leven zo tevreden geweest met mezelf, zo trots, of heb ik me zo fortuinlijk gevoeld om iets gecreëerd te hebben dat zo goed is als dit,” schreef hij over zijn Symphonie pathétique aan zijn uitgever en vriend Pjotr Jurgenson.


 

Nog vol plannen

Als Tsjaikovski op 25 oktober 1893, terwijl een cholera-epidemie door Petersburg woedt, onverwacht sterft, heeft zijn zopas voltooide Zesde symfonie haar première al beleefd. Zij klinkt voor de tweede maal op 6 november. Het publiek interpreteert het werk met zijn langzaam wegstervende slotdeel nu als een requiem, als een laatste eerbetoon aan zijn schepper. Er ontstaan geruchten dat Tsjaikovski zelfmoord zou hebben gepleegd door bewust een glas ongekookt water te drinken, vanwege een onbereikbare (mannelijke) geliefde of om een publiek schandaal te vermijden na een affaire met een hoogstaand lid van het hof. Later zou daaruit de theorie ontstaan dat een geheim tribunaal van oud-klasgenoten van de School voor de Rechtswetenschap hem ter dood veroordeeld zou hebben.

 

Hoewel het een mooi verhaal voor een opera is, zoals Peter Schat en Gerrit Komrij met Symposion (1989) bewezen, is de socratische zelfmoord gezien Tsjaikovski’s standing en de vrije seksuele moraal in hoge Russische kringen tamelijk onwaarschijnlijk. Velen zijn in Moskou immers bekend met Tsjaikovski’s talloze homoseksuele liefdes, maar deze vormen mede door zijn hoge afkomst geen belemmering voor zijn carrière. Tsjaikovski is de huiscomponist van de staatstheaters in Moskou en St. Petersburg en ontvangt sinds 1888 een staatstoelage. En Tsjaikovski zit op zijn sterfbed nog boordevol ideeën voor nieuwe werken. Bovendien heeft hij voor maart 1894 al een reis naar Amsterdam gepland. Hij zou daar, tegen zijn verwachting in, nooit arriveren.


 

“Laat ze maar raden”

Werd de Zesde symfonie uit ontsteltenis over Tsjaikovski’s vroegtijdige dood bij de tweede uitvoering onbedoeld begrepen als een ‘afscheidssymfonie’, later werden de tot dan als irrelevant opzijgeschoven verhalen over zijn mannenliefde geproblematiseerd, zoals ook in Arthur Japins recente roman Kolja. Tsjaikovski’s laatste symfonie kon sindsdien niet meer worden losgezongen van zijn persoonlijke leed: dit was een symfonie over het einde van Tsjaikovski’s leven.

 

Die vaststelling is tegelijkertijd juist en niet juist. Inderdaad schreef Tsjaikovski zijn jonge neef Vladmir (‘Bob’) Davydov dat de symfonie een uiterst subjectief programma had, maar het publiek hoefde dat niet te weten: “laat ze er maar naar raden”, meende hij. Het idee voor het stuk lijkt sterk op dat van een eerder begonnen symfonie, die ‘Het leven’ zou moeten gaan heten, maar die Tsjaikovski uiteindelijk niet wilde voltooien. De Zesde symfonie lijkt echter niet alleen te gaan over het leven in het algemeen – voor zover muziek al ergens over kan ‘gaan’ – maar (ook) over Tsjaikovski’s persoonlijke leven, een leven vol liefde en tegenslagen, verdriet en geluk. In het eerste deel wisselen duisternis en berusting in het Lot elkaar af. De wals van het tweede deel, gracieus wervelend door een opvallende 5/4- in plaats de gebruikelijke 3/4-maat, vertelt een episode van gelukzalige liefde. Vol trots en bravoure klinkt het derde deel. Of is het ook kinderlijke onschuld, zoals in de openingsscène van de opera Schoppenvrouw?

 

In het slotdeel – Tsjaikovski veranderde de tempo-aanwijzing van ‘Andante lamentoso’ naderhand in ‘Adagio lamentoso’ – volgt de dood. Schrikwekkend, maar een wezenlijk onderdeel van ieder leven. En daarna? “Ik weet niet zeker of een leven na de dood wenselijk is,” schreef de componist daarover, “want zonder zijn afwisseling tussen blijdschap en verdriet, zijn strijd tussen goed en kwaad, duisternis en licht, zou het zijn charme kwijtraken. Hoe kunnen we onsterfelijkheid beschouwen als eeuwige gelukzaligheid? Volgens onze aardse waarnemingen wordt zelfs gelukzaligheid vermoeiend als zij nooit verbroken of onderbroken wordt.”


 

deze tekst is deels gebaseerd op de toelichting van Simone Leuven


 

Raskatov en Tsjaikovski’s ‘Pathétique’

NTR ZaterdagMatinee (klik hier voor kaarten en meer informatie)

zaterdag 30 maart 2019, 14.15 uur
Concertgebouw, Amsterdam

 

Radio Filharmonisch Orkest
Otto Tausk dirigent
Maria Milstein viool

 

Raskatov In excelsis (Nederlandse première)
Tsjaikovski Zesde symfonie ‘Pathétique’


Tsjaikovski en Vladimir Davydov

Deel dit artikel