Hoe klinken orkest en koor op de radio?

Myrthe van Dijk

Een concert opnemen voor radio of cd? Daar komt veel meer bij kijken dan het indrukken van de rode knop ‘opname’. Myrthe van Dijk is muziekregisseur voor de omroepseries, naast Ron Ford en Niek Wijns. Zij vertelt over haar bijzondere en belangrijke werk ‘achter de schermen’, samen met gespecialiseerde geluidstechnici. Hoe zorgen zij ervoor dat een mooi concert in de zaal net zo mooi klinkt op de radio?

 

Ik kreeg voor het eerst belangstelling voor het beroep muziekregisseur tijdens mijn studie muziekwetenschap. Omdat ik daarvóór conservatorium piano had afgerond, zocht ik een bezigheid die verder ging dan de academische kant van het vak. Als muziekregisseur kon ik weer intensief in de noten zelf duiken, ik genoot ook van het geconcentreerde luisteren dat erbij hoort. Een unieke kans om ervaring op te doen kreeg ik bij de Wereldomroep, waar ik werd betrokken bij opnames met onder meer het Concertgebouworkest, het Rotterdams Philhamonisch Orkest, en het Festival Oude Muziek. Soms was ik opnameleider bij cd-opnames met kamermuziek door Nederlandse musici. Sinds 1992 werk ik zelfstandig als muziekregisseur, tegenwoordig onder meer voor het Radio Filharmonisch Orkest en het Groot Omroep Koor, en voor diverse omroepen. Daarnaast ben ik programmamaker voor de NTR ZaterdagMatinee.

Muziekregie is geen bekend beroep, en concertopnames spelen zich voornamelijk achter de schermen af. Er wordt bijvoorbeeld gewerkt in een opnamewagen, geparkeerd in de kelder van TivoliVredenburg, of in een speciale studio op de zolder van het Concertgebouw. Maar wat gebeurt daar nu eigenlijk? Daar vertel ik graag iets over.

 

Het opnameteam

Bij een live concertregistratie bestaat het opnameteam uit drie mensen: de hoofdtechnicus, de assistent-technicus en de muziekregisseur. De hoofdtechnicus is verantwoordelijk voor de totstandkoming van de opname, de juiste inzet van technische faciliteiten, de microfoonopstelling en de bediening van de mengtafel en overige apparatuur. Een assistent helpt met het opzetten van de microfoonopstelling, en met changeren en afbreken. De muziekregisseur draagt de artistieke eindverantwoordelijkheid voor de opname, met de partituur als vertrekpunt. De opdracht is om repertoire en uitvoerenden zo goed mogelijk uit de verf te laten komen. In de praktijk is die scheiding tussen technische en artistieke taken minder strikt: de geluidstechnici hebben ook oren aan hun hoofd en de muziekregisseur begrijpt de werking van microfoons in verschillende opstellingen. Het is dus echt teamwork, waarbij aan beide kanten wordt geprofiteerd van elkaars kennis en ervaring.

 

De microfoonopstelling

Uiteraard begint een goede opname met het gebruik van de juiste microfoons, maar nog belangrijker is: waar zet je ze neer of hang je ze op? En welke type microfoon kies je voor welk doel? Dat is gesneden koek voor de geluidstechnicus en zijn assistent, zeker na jarenlange ervaring met welbekende orkesten in vertrouwde zalen. Je zou misschien denken dat er vervolgens alleen nog maar op ‘record’ hoeft te worden gedrukt, maar dat is niet zo. Daarvoor zijn er teveel wisselende factoren die elkaar beïnvloeden. De exacte positie van de musici, in combinatie met bezetting en repertoire: de situatie is elke keer een beetje anders. Daarom is er altijd behoefte aan een microfoonrepetitie, voorafgaand aan de daadwerkelijke opname.

 

De microfoonrepetitie

In de opnamestudio of opnamewagen begint zo’n repetitie met luisteren en beoordelen. In de mengtafel komen alle microfoonkanalen samen en kunnen via faders worden bediend: de verschillende standen onderling leiden tot een bepaalde klankbalans. Als eerste beoordelen technicus en muziekregisseur gezamenlijk het klankbeeld van het hoofdstel, een stereopaar van microfoons dat eigenlijk al een heel behoorlijke totaalindruk geeft. Als het hoofdstel op de juiste plek voor het orkest hangt klinkt het orkest niet te zwemmerig (dan hangt het hoofdstel te ver weg) en ook niet te direct (dan hangt het te dichtbij en mis je de zaalakoestiek). Maar je hoort ook meteen wat er nog te verbeteren valt: het onderscheid tussen de strijkersgroepen onderling, een beetje kern in de toon bij de houtblazers, een beetje ‘attaque’ bij de pauk, iets meer sprankeling van de harp…

Voor dat doel worden steunmicrofoons gebruikt, die verspreid boven het orkest hangen, en die in meerdere of mindere mate worden ‘opengeschoven’ – gedoseerd, voorzichtig, en afhankelijk van wat je het liefst wílt horen. De muziekregisseur adviseert daarbij de technicus vanuit de partituur. Soms wordt besloten dat er microfoons moeten worden verhangen, bijvoorbeeld om een mooiere klank van een instrument of een groep te krijgen, of juist om een al te indringend geluid te mijden (een triangel of klokkenspelletje kan heel venijnig zijn!). Zo wordt toegewerkt naar een klankbeeld dat ‘staat’, waarbij alles op zijn plek valt.

 

Het concert

Toch blijft het daar niet bij tijdens het (vaak live uitgezonden) concert. Zo kan het gewenste klankbeeld per compositie een beetje verschillen. Een werk van bijvoorbeeld Stravinsky vraagt vaak relatief meer ‘bite’ in zowel strijkers als houtblazers, dus een concretere orkestklank, waardoor de ritmische details goed uit de verf komen. Bij Bruckners en Mahlers mag alles juist weer zwoeler en ruimer klinken. Details moeten waarneembaar zijn, zonder te nadrukkelijk te worden, plotselinge uitbarstingen van hard slagwerk moeten precies op het juiste moment worden opgevangen, heel zachte passages moeten toch hoorbaar blijven op de radio, een sololijntje moet voldoende klankkwaliteit houden. Voor al dit soort situaties past de technicus tijdens het concert de stand van de faders aan. Dat kan door op het gehoor te reageren, maar nog efficiënter is het om tevoren te weten wat er komt en daarop te anticiperen. Hierbij helpt de muziekregisseur: die ziet een specifiek moment naderen in de partituur en roept als er iets moet gebeuren.

Het is zeker geen kwestie van microfoons ‘harder of zachter zetten’, zoals vaak gedacht wordt. Als je een steunmicrofoon ophaalt komt de klank relatief dichterbij, dus je hoort meer kern en detail, maar wat telt is de combinatie met de totaalklank: alsof je in een aquarel hier en daar contouren aanbrengt of iets meer kleur toevoegt. Iedere ingreep moet altijd in verhouding blijven tot de rest van het orkest, zodat het niet lijkt alsof er ineens houtblazers vóór de strijkers zitten, of koorzangers vóór het orkest staan. Verder kun je tijdens de opname nog een klein beetje spelen met galm of ruimte, de plaatsing in het stereobeeld, en filtering van frequenties, alleen voor zover dat een natuurlijke klank bevordert. Het gaat om het behoud van klankkwaliteit binnen gegeven omstandigheden, en het voorkomen van ongewenste uitschieters in volume of nabijheid. Hoe grilliger het muzikale verloop, hoe actiever de technicus meeschuift en de muziekregisseur vanuit de partituur de technicus inseint.

 

Muzikale opvattingen

Voor mij is dit het mooiste vak van de wereld, omdat je als muziekregisseur intensief met de partituur, de klankbalans, de uitvoering en de muziek zelf bezig bent, en omdat het een groot voorrecht is zo nauw betrokken te zijn bij topuitvoeringen. Eén mogelijk misverstand wil ik graag vóór zijn: we maken niet onze ‘eigen’ klankbalans. Het opnameteam heeft maar één referentie: de werkelijke uitvoering, met de opvattingen van de dirigent, het spel of de zang van de musici, en de klankeigenschappen van de zaal. Ons vertrekpunt is de klank op het podium. De microfoons beperken die werkelijkheid, en dat corrigeren we weer naar beste kunnen door de subtiele ingrepen die ik zojuist beschreef. Bovendien ontkomen we er niet aan een vertaalslag te maken van de luisterbelevenis in de zaal – met zicht op het orkest – naar die in de woonkamer met twee speakers. Onze eigen klankvoorstelling, smaak en muzikale opvattingen zijn bij dit alles nuttig en behulpzaam.

 

Ideaal en praktijk

Het gebeurt wel eens dat je tijdens een concert toch nog door een onverwachts effect wordt verrast, maar dat is, net als muzikale ongelukjes op het podium, inherent aan het live karakter van de concertopnames. Nabewerking vindt dan ook alleen in uitzonderlijke gevallen plaats. Op één factor hebben we helaas geen invloed: de automatische zendercompressie (in verschillende mate via live-stream, ether of kabel), die alle zachte passages harder maakt en andersom. De opname wordt daardoor teruggebracht tot een platter resultaat met minder grote contrasten. De bedoeling is namelijk dat met name autoluisteraars niet telkens aan de volumeknop hoeven te draaien. Via de site van Radio 4 kunt u archiefopnames beluisteren, in een redelijke bestandskwaliteit waarbij het dynamische bereik van de oorspronkelijke registratie ongemoeid is gelaten. Er is met liefde aan gewerkt!

 

Nieuwsgierig geworden? Veel opnames, gemaakt door Myrthe van Dijk en haar collega’s, vindt u op www.radio4.nl/luister-concerten

 

Deel dit artikel